Recreatiegroen in stedelijke regio’s
Om in 2020 te voorzien in de behoefte aan recreatiegroen van de bewoners van tien stedelijke regio’s zijn duizenden hectares extra recreatiegroen nodig. Dat blijkt uit een analyse die het Kenniscentrum Recreatie samen met Motivaction deed voor het ministerie van VROM.
Het ministerie wilde zicht hebben op de te verwachten recreatietekorten voor de verstedelijkingsafspraken die het maakt met 24 stedelijke regio’s. We brachten de vraag naar en het aanbod van groene ruimte in beeld met ons Beleidsondersteunend Recreatie Analyse Model (BRAM). Dit deden we voor wandelen en fietsen in 24 stedelijke regio’s. Bevolkingsontwikkelingen en de aanleg van groene gebieden tot 2020 namen we in deze analyse mee. Ook onderzochten we of het bestaande en geplande groen aansluit bij de aard van de vraag. We keken hierbij zowel naar de activiteiten van recreanten als naar de motieven van mensen om het groen te bezoeken.
De kwantitatieve analyse toont aan dat in tien stedelijke regio’s in 2020 sprake is van een tekort van meer dan 20% aan ruimte om te wandelen en/of fietsen. Dit betekent dat op de normdag (de 5e drukste dag van het jaar) 20% meer ruimte nodig is om iedereen die wil wandelen of fietsen de kans te geven dat in enige rust te doen. Voor de Randstedelijke regio’s loopt dit zelfs op tot 40 à 70%. Als gevolg van die tekorten is de berekende groenopgave, aanvullend op de al geplande RodS, EHS en andere ‘groene plannen’, in een aantal regio’s zeer hoog. Vele duizenden hectares recreatiegroen moeten worden aangelegd om de modelmatig berekende tekorten voor 2020 compleet terug te brengen.
Uit de kwalitatieve analyse blijkt dat bewoners van de stedelijke regio’s bos, stadsparken en kinderboerderijen iets belangrijker vinden dan het landelijk gemiddelde, en natuurgebieden iets minder belangrijk. Sommige mensen hebben vooral natuurgerichte motieven om het groen op te zoeken, andere hebben meer sociale motieven. Het blijkt dat in de stedelijke regio’s sociale motieven (‘samenzijn met bekenden’, ‘mensen ontmoeten’ en ‘gezellige drukte opzoeken’) iets hoger scoren dan het landelijk gemiddelde. Neemt niet weg dat de natuurgerichte motieven (‘genieten van mooie omgeving’, ‘lekker buiten zijn’ en ‘tot rust komen’ nog steeds wel sterker vertegenwoordigd zijn dan de drie sociale motieven.
De studie levert voor elk van de 20 stedelijke regio’s handvatten op: hoeveel groen van welk type is nodig? Behalve deze aanbeveling voor beleidsmakers, levert de studie ook onderzoeksaanbevelingen op. Nader onderzoek is gewenst naar een aantal uitgangspunten voor de tekortenberekening, zoals de door recreanten ervaren drukte in groene gebieden en de mogelijkheden voor een grotere differentiatie aan opvangcapaciteiten.
| Projectteam | Rob Berkers, Stijn Boode, Willem Hoffmans | Download |
| Status | Afgesloten | |
| Jaar | 2009 |
<< Terug
